Opruiing als burgerplicht

Waarom tolereren we de staat, met al haar regels, haar wetten, haar politie en haar traangas, justitie, rechtbanken, geheime agenten, soldaten en tanks, bommen en granaten, haar belastingheffing en haar bureaucraten, haar macht en het daaraan inherente machtsmisbruik – want waar macht zich centraliseert en wordt opgelegd, daar is het misbruik al aanwezig – waarom tolereren we die staat? Waarom pikken we dat, waarom blijft het bij mopperen, maar voegen we ons bijna allemaal uiteindelijk? Waarom wordt er zo weinig opruiing bedreven jegens het ‘openbaar gezag’, en waarom wordt de opruiing die bedreven wordt, zo bedroevend weinig gevolgd door staatsvijandig gedrag? Opruiing tegen de staat vanwege haar wandaden is immers, zoals ik hieronder zal uitleggen, zelf geen wandaad maar doodgewoon burgerplicht.

Angst op zichzelf is het niet. Als alle mensen die mopperden op parkeerboetes, klaagden over bezuinigingen, foeterden op hoge salarissen in de publieke sector terwijl de dienstverlening verloedert, kritiek hadden op staatsuitgaven aan kwalijke onzin-dingen, zoals daar zijn het betalen voor JSF-straaljagers en het bouwen van gevangenissen om vluchtelingen in op te sluiten – als al die mensen niet alleen klaagden, foeterden, mopperden en kritiek uitten maar weigerden mee te werken, dan had de staat een probleem. Als we gerechtsdeurwaarders de deur zouden wijzen, als we topfunctionarissen in publieke diensten wégstaakten, als geen van ons nog wat voor boete zou betalen – en als mensen elkaar daar nu eens bij zouden ondersteunen – dan had de staat een probleem. Is het angst die ons van dit soort systematische dwarsliggerij weerhoudt? Ik geloof vast dat angst een rol speelt. Maar ik geloof niet dat het de hoofdrol is. Immers, al die mopperende mensen zijn met véél en veel meer dan alle agenten, soldaten, geheimedienstfiguren, bureaucraten en gerechtsdeurwaarders bij elkaar. Dat realiseren we ons misschien niet dagelijks. Maar ergens weten we dat natuurlijk best. De staat is feitelijk een handvol mensen, helaas strak georganiseerd en van wapens voorzien, en helaas gefinancierd door degenen met wie ze zo nauw zijn verbonden, de mensen van de kapitalistenklasse. De niet-staat en het niet-kapitaal – wij allemaal – zijn met meer, en we verzetten samen het noodzakelijke werk. Waarom duwen we de staat er niet uit, en regelen onze zaakjes verder onderling?

Er zijn daarvoor, denk ik, twee redenen. De eerste is gebrek aan geloof in eigen kunnen en eigen kracht. Ja, we zijn met meer, en ergens weten we dat ook wel. Maar we voelen ons in onze staatsafkeer, in ons impliciete antiautoritaire gevoel, ook vaak zo alleen. We denken maar al te vaak dat we de enige zijn, en dat al onze collega’s, buren, bekenden, klasgenoten, noem maar op – wél meegaand zijn. De ieder-voor-zich-logica van het kapitalisme heeft ons gezamenlijke besef dat we sterk zijn, ons collectieve zelfvertrouwen, verregaand beschadigd, aangetast, uitgehold. We zijn samen sterk. Maar we voelen zo weinig van dat samen-zijn, en dus voelen we ons zwak. Dat is reden één.

Reden twee is dat ook heel veel van ons, heel veel van de klagers, mopperaars, foeteraars, critici van de staat, diezelfde staat toch zien als iets legitiems, iets noodzakelijks. Je hebt er last van, je hebt het ook nodig. Specifieke stukken staat moeten veranderd, kritiek is noodzakelijk, maar de staat in essentie wordt veelal geaccepteerd. Waarom? Omdat men de staat een aantal essentiële taken toedicht die hoe dan ook gedaan moeten worden, en waarvan men zich niet kan indenken dat die op een andere, betere manier geregeld zouden kunnen worden. Ja, wij zijn met meer dan de staat en de beschikkers over het kapitaal waarmee de staat is verbonden. Maar we geloven dat we de staat toch nodig hebben. Dus tolereren we veelal de staat, hoe chagrijnig het staatsgedrag ons ook maakt.

Wat zijn die essentiële dingen die de staat dan doet? Mensen zullen dan denken aan allerlei openbare diensten. Onderwijs, zorg, openbaar vervoer, uitkeringen. En ja, het is waar dat de staat belasting en premies binnenhaalt en daarvan ziekenhuizen, scholen, de NS, allerlei bus- en metrobedrijven en dergelijke financiert – al zijn de bijdragen die we via bus- en treinkaartjes en eigen risico in de zorg betalen bepaald niet te verwaarlozen. De staat betaalt ook bijstand en andere uitkeringen. Althans, zo ziet het er uit. Maar is het ook zo? In feite is het niet de staat die al deze dingen doet, maar wijzelf, samen. Wij betalen die ziekenhuizen, die scholen, die vervoersbedrijven. We doen dat automatisch en onvrijwillig door belasting te betalen. De staat zet dat belastinggeld deels om in die nuttige dingen, dat vervoer, die zorgen dat onderwijs, en ja, ook die uitkeringen. Maar de staat is hier feitelijk eerder tussenpersoon dan echte oorzaak van al die dingen. Collectieve voorzieningen worden via de staat geregeld. Maar het is niet de staat zelf die we daarvoor complimentjes hoeven te geven. Het is immers ons eigen geld dat hieraan wordt gespendeerd. Het zijn onze voorzieningen, waarvan we helaas hebben geslikt dat een boven ons verheven instituut er de regie en de zeggenschap over heeft. Het is een staatstaak omdat en voor zover we er niet in slagen er ons gezamenlijk project, onze eigen taak, van te maken.

Neem bijvoorbeeld die uitkeringen. Ja, ik ontvang bijstand van Sociale Zaken hier in Tilburg. Maar eigenlijk ontvang ik bijstand van de mensen wiens belastingen naar de gemeente Tilburg gehaald wordt, en waarvan die gemeente een deel doorschuift naar Sociale Zaken dat er die bijstandsuitkering van betaalt Als ik iemand dankjewel moet zeggen voor die uitkering, dan zijn het die mensen uit wiens geld die uitkering wordt betaald, niet de gemeenten, niet de staat. De gemeente is tussenpersoon – maar tegelijk tussenpersoon die macht over die uitkeringen, de toekenning en de uitbetaling, de voorwaarden en bijbehorende regelgeving, heeft. Dáár heb ik last van. Voor de staat is het toekennen of niet van uitkeringen een machtsmiddel ter disciplinering. De essentie van die uitkeringen zoals ontvangers, maar ook belastingbetalers, die naar voren zouden moeten brengen, heeft dat machtselement, die discipline echter helemaal niet nodig. Die essentie is immers niet meer en niet minder dan het helpen onderhouden van mensen die dat zelf niet helemaal kunnen. Solidariteit, onderlinge hulpverlening en ondersteuning. Zoals vrienden elkaar helpen als de één krap zit en de ander ruim, zo zou je toch ook een onderling stelsel van ondersteuning kunnen inrichten. Daar is geen minister, geen wethouder, geen ambtenarij en geen sociaal rechercheur voor nodig. In die zin is het dan ook geenszins inconsequent voor anarchisten om én tegen de staat aan te schoppen, én te protesteren als uitkeringen weer eens onder vuur liggen. Die uitkeringen zijn immers in de kern géén staatstaak, en het is een mystificatie om er wel een kerntaak van de staat in te zien.

Wat zijn dan wel essentiële staatstaken? Dwang en geweld, dat is de kern. De staat verdedigt het territorium waarover het de zeggenschap heeft: grensbewaking, leger, oorlog. De staat verdedigt zichzelf tegen uitdagingen aan haar gezag: ‘ordehandhaving’. Beiden staan echter in dienst van de staat zelf, en van de economische machthebbers met wie de staat verstrengeld is en wiens belangen zij pleegt de verdedigen. Dát is de kerntaak. De staat verdedigt zichzelf en de heersende klasse.. Daartoe is ze bereid ons allemaal – de niet-staat, het niet-kapitaal in menselijke gedaante en essentie – te beboeten, te arresteren, te slaan, te beschieten, te folteren, te overrijden, te bombarderen, noem het allemaal maar op. Geweld en onderdrukking is de essentie van de staat. Al die andere taken die de staat uitoefent, het besturen van de voorzieningen, van zorg tot uitkeringen – zijn daaraan ondergeschikt. De staat doet die dingen ter wille van haar geloofwaardigheid als hoeder van de gemeenschap, en ter wille van het productief houden van haar ondergeschikten. Zieke mensen kun je maar beter verzorgen dan laten creperen, want het opkweken van nieuwe arbeiders is duurder en duurt een tijd; opgeleide arbeiders zijn productiever; baanlozen kun je maar beter in leven houden voor het geval het kapitaal ze weer winstgevend kan uitbuiten, OV kan maar beter via de overheid, want het vervoeren van arbeiders van en naar hun werkplek is een belang van de kapitalisten en de staatselite sámen. Daarom eigent de staat zich deze op zichzelf nuttige, maar prima door vrije mensen in vrije gemeenschappen zelf te regelen, taken toe. Kerntaken zijn het echter niet, hetgeen ook blijkt uit de neiging om ze te privatiseren en te commercialiseren als dat de elites meer oplevert en om de staat de kosten ervan (deels) te besparen. Kerntaken van de staat zijn oorlog, ordehandhaving en… criminaliteitsbestrijding. Of toch niet, dat laatste?

Die criminaliteitsbestrijding breng ik hier niet toevallig specifiek onder de aandacht. Het betreft hier één van de overheidstaken die het sterkst in het bewustzijn van heel veel mensen zit. Iemand moet toch dieven en verkrachters oppakken en bestraffen, iemand moet er toch voor zorgen dat dit een beetje efficiënt maar ook billijk gebeurt? Zo niet, dan krijgen we toch een oorlog van allen tegen allen, zoals de politieke filosoof en grondlegger van veel moderne staatslegitimaties Thomas Hobbes dat formuleerde? Maar ook hier zijn de mystificaties niet van de lucht. Wat criminaliteit is, is geen universeel heldere zaak. Moord mag niet – maar soms ook wel, en dan heet het ‘rechtvaardige oorlog’ of ‘gerechtvaardigde straf’. Diefstal mag niet, want, zoals de grap die langs allerlei wegen de ronde doet, ‘de overheid duldt geen concurrentie’. Afpersing en chantage mag niet, behalve als een OM een activiste/publiciste prest tot het offline halen van haar website, or else… Ja, het hele concept van strafrecht – als jij niet doet wat wij zeggen, sluiten we je op – is zelf een vorm van chantage, bedreiging en afpersing. Anders gezegd: de staat zelf is, uitgaand van haar eigen rechtsbeginselen, crimineel. In de kern, en niet als bijzaak.

Strafrecht en criminaliteitsbestrijding is dan ook een onderdeel van die andere kerntaak, ordehandhaving. Het gaat om regelgeving die noodzakelijk is om een ordentelijke maatschappij te garanderen – maar dat is geen doel op zich. Die ordentelijke maatschappij is nodig zodat arbeiders keurig werken voor kapitalisten – en dus niet staken! , kopen bij kapitalisten – en dus niet stelen! – keurig belasting betalen – en niet frauderen! – en noem het allemaal maar op. Dat de staat, door criminaliteit te bestrijden, tegelijk ook gedrag bestrijdt waar mensen als jij en ik ook last van hebben, is meegenomen. Het maakt de staat legitiemer in ogen van veel mensen. Maar het kerndoel is het handhaven van de autoritaire kapitalistische orde, ongeacht wat dit voor ons welzijn betekent. Het is in die zin net zoiets als de reden dat de staat collectieve voorzieningen beheert. W ij hebben er soms wat profijt van, maar dat is voor de staat vooral een kwestie van PR. De kern is wederom staatsbelang, ongeacht ons belang.

Grappig is intussen hoe weinig er van die criminaliteitsbestrijding terechtkomt. Alleen daar zou je kunnen afleiden dat het geen kerntaak is, althans niet in de zin dat de effectiviteit ervan er erg veel toe doet. “De politie besteedt hoogstens 15 procent van de tijd aan opsporing en ‘echte criminaliteit’, zo blijkt uit een halve eeuw onderzoek”, aldus Bart de Koning op 24 september 2012 in de Volkskrant. Te weinig recherche, teveel beleidsmedewerkers, overhead en ‘blauw op straat’ dat niets oplevert in criminaliteitstermen. Maar – en dat zegt De Koning niet – meer blauw op straat dient wèl de taak van ordehandhaving, en dáár gaat het om. Hij prijst wel Duitsland als voorbeeld aan: die “haalt moeiteloos het drievoudige” (opsporingspercentage, PS).“Maar die hebben dan ook veel meer recherche. En geen beleidsmedewerkers.” Geef Derrick en Baantjer meer collega’s dan stijgt het opsporingspercentage – maar blijft nog steeds ruimschoots onder de vijftig procent. En welk verlies aan privacy en vrijheid levert deze aanpak op? Is de Duitse maatschappij prettiger dan de Nederlandse?

En er is nog meer. Het maakt vrijwel niets uit wat de staat doet, als je het tenminste bekijkt vanuit de vraag of je er ‘criminaliteit’ mee bestrijdt. Folkert Jensma in de NRC: “Het gros van de straffen is kennelijk erg laag, net als de pakkans. En nóg dalen alle criminaliteitscijfers. Dat de meeste mensen geen criminaliteit plegen, heeft kennelijk niets te maken met het strafrecht.” Zoiets geldt ook internationaal. Kevin Drum bijvoorbeeld, over de VS, in een opvallend stuk in Mother Jones, schrijft: “Meer gevangenissen zou kunnen helpen om criminaliteit te beheersen, meer smerissen zou kunnen helpen, beter politiewerk zou kunnen helpen. Maar het bewijs voor elk van deze als hoofdoorzaak is dunnetjes.” Aan die conclusie ging een reeks beredeneringen en feiten rond diverse factoren vooraf. Zijn verklaring voor stijging en daling van misdaadcijfers, nog voorzien van vrij stevig cijfermateriaal ook: de hoeveelheid lood waaraan mensen, vooral ook kinderen, worden blootgesteld! Dit verder terzijde. Kortom, de staat als criminaliteitsbestrijder is een hoogst twijfelachtige zaak, met een wetenschappelijke onderbouwing die niet echt onderbouwd overkomt. Toch kan de staat het niet laten. Want ook als al dat strafrecht en die politie en dergelijke geen merkbaar effect op de misdaadcijfers heeft, dan nog is die misdaadbestrijding een mooi excuus voor agenten om ons allemaal in de gaten te houden en de wet voor te schrijven. Dáár gaat het blijkbaar om.

Maar er is nog iets, en daarmee krijgen we de cirkel rond. Niet alleen is de staat slecht in het bestrijden van wat officieel criminaliteit is. Diezelfde staat is ook nog eens opmerkelijk goed in het bedrijven van criminaliteit. De staat slaat demonstranten, ook als die volstrekt vreedzaam zijn. Dat is openlijke geweldpleging. De staat sluit mensen op die geen vlieg kwaad hebben gedaan, enkel omdat ze niet de door de staat vereiste papieren hebben. Dat is wederrechtelijke vrijheidsberoving, en als er de eis aan vast zit dat ze meewerken aan hun eigen vertrek, ook nog eens gijzeling en chantage. De enige ‘misdaad’ die deze mensen wordt aangerekend is een misdaad die de staat zelf heeft bedacht, door verblijfsvergunningen te eisen en dergelijke. Als de staat morgen het dragen van petjes verbiedt en mensen daarvoor op gaat sluiten, zijn het dan de petjesdragers die crimineel zijn, of de staat? En dan zwijg ik nog over het grotere werk. Mensen de dood in jagen door ze het land uit te gooien, terug naar de politiestaat of het oorlogsgebied waaruit ze vluchtten voor hun leven. Dat is minstens dood door schuld.

Laten we de staat eens aan haar eigen pretenties houden – zonder ook maar een seconde die pretenties echt te gelóven waar het de staat betreft. Misdaad – aldus de pretentie – moet bestreden worden. De staat beweert dat te doen. Maar de staat doet het niet effectief. Sterker: de staat gedraagt zich zelf als criminele organisatie, systematisch en dag in dag uit. Iemand moet ook die misdaad bestrijden, toch? En moeten we elkaar dan ook niet oproepen om de misdaad te bestrijden? Is het dan niet volstrekt legitiem om te zeggen: laat die gevangen vluchtelingen – want daar had ik het in de vorige alinea natuurlijk over – vrij, help ze naar de vrijheid? En moeten we dan ook niet de infrastructuur van die staatsmisdadigheid bestrijden? Moeten de plaatsen waar criminelen hun slachtoffers opsluiten, en de plaatsen van waaruit die criminelen hun ontvoeringsacties – ‘arrestaties’ genoemd – niet aangepakt worden? En als de staat – de pleger van deze misdaad – dit zelf niet doet… wie dan wel?

Er is een antwoord. Jij en ik hebben een verantwoordelijkheid in het bestrijden van criminaliteit, van misdadig onrecht. Het slopen van de staat – om te beginnen van haar detentiecentra, haar IND-gebouwen, haar hekken en muren, haar wapenarsenalen – is een goede zaak. Het is in feite burgerplicht, net als het oproepen tot dit soort humanitaire sloopwerkzaamheden. Het is de plicht van burgers, niet burgers van die criminele staat maar burgers van de mensengemeenschap. Dat is essentie wat opruiing, zoals Joke Kaviaar die volgens het OM bedrijft is: burgerplicht. Bij deze roep ik op tot het uitoefenen van deze burgerplicht, tot er geen vluchteling meer wordt opgesloten of gedeporteerd of zelfs maar met zoiets wordt bedreigd. Om te beginnen.

Geschreven door Peter Storm en oorspronkelijk verschenen op zijn site Ravotr.nl